De noodtoestand ten huize Fluwijn is opgeheven. We voelen ons nog een beetje pips, maar ik denk dat we het ergste nu wel hebben gehad.
We kregen hier met z’n drieën een aanval van een griepvirus te verwerken. We zagen vorige vrijdag de bui reeds hangen. Het begon allemaal met een prikkende keel en een lopende neus (erg vervelend wanneer je je neus voortdurend achterna moet hollen). Maar dat was maar een voorbode van wat komen moest. Zaterdag pakte het virus pas uit met het grof geschut : barstende hoofdpijn, koorts, slappe spieren, nies- en hoestbuien, braakneigingen, diaree, kortom alle ellende op een hoopje. Zowat alle ongemakken die een mens kan overkomen hebben zich hier de laatste dagen gemanifesteerd. We waren hier met z’n drieën compleet gevloerd door het virus.
Op de koop toe werd er, door de plaatselijke jeugdbeweging alhier, in de nacht van zaterdag op zondag een fuif georganiseerd. Die ging door in een tent die was opgesteld op zo’n vijftig meter van onze achtertuin vandaan. We werden de hele zaterdagnacht vergast op luide bonke bonke muziek. Wanneer je doodziek in bed ligt en daarbij ook nog eens een hele nacht het gedreun van dat soort muziek moet doorstaan, dan is de hel redelijk nabij.
Het is niet dat ik de jeugd hun plezier niet gun, maar het is mij een raadsel waarom de jonge mensen persé willen fuiven in een tent, net achter mijn tuin, terwijl er in de stad alle infrastructuur voor handen is om fuiven in te organiseren.
Soit, we hebben alle beproevingen overleefd en uiteindelijk zijn alle microben de deur uit. Een blijvend letsel zullen we er waarschijnlijk niet aan over houden. Maar de vier russen mogen, wat mij betreft, gauw terug keren vanwaar ze gekomen zijn.




























