Zoonlief wordt vijventwintig. De mooiste leeftijd die er bestaat. Dat moet uiteraard gevierd worden. Vorige week bouwde hij al een”vooraf” feestje met enkele vrienden en vriendinnen. Dit weekend volgt nog een groter feest met een hele buslading vol vrienden en vriendinnen. Misschien komt er ook wel een “achteraf” feestje. Als je vijventwintig wordt heb je aan één feestje niet genoeg natuurlijk.
Hij zou het niet zo graag zien als hij op deze blog zou kijken, maar dat doet ie toch nooit, dus plaats ik hieronder een kleine bloemlezing uit zoonlief z’n vijventwintig jarig bestaan.
Categorie archief: de dingen des levens
Late winterfoto’s. (2)
Ik was op wandel in de Brielmeersen, ons eigenste stadspark. Als ze bij ons een park aanleggen, dan doen ze dat zoals het hoort. Als ze een schuurtje bouwen in het park, dan zetten ze dat schuurtje precies op de plaats waar het zich op mijn foto netjes weerspiegelt in het wak in het ijs op de vijver voor het schuurtje. Stel dat het schuurtje twee meter meer naar links had gestaan, dan was de weerspiegeling op de foto naar de filistijnen geweest. Kijk, daar kunnen andere parkaanleggers, elders ter wereld, nog iets van leren.

Ik wandelde voorbij het hertenpark. De hertjes stonden rustig te grazen en trokken zich nauwelijks iets aan van het barre weer. In een mannetje met een petje op, die daar met z’n fototoestelletje voorbij wandelde, hadden ze al helemaal geen interesse.

Ik wandelde dan maar door tot ik bij de rietvijver kwam.

Het riet stond met z’n voetjes in het ijs.

Maar dat de lente wel degelijk op komst is, bewijzen de jonge scheutjes die ik tussen de rietstengels ontdekte.

Een beetje verder moest ik een brugje over. Zonder skilatten aan de voeten bijna een onmogelijke opgave.

Maar op de bomen, een beetje verderop, ontdekte ik jonge knopjes. De lente zal weldra komen. Daar kan zelfs koning Winter niets aan veranderen.

Een ooievaar was in de sneeuw op zoek naar iets eetbaars. Heel wat ooievaars overwinteren hier in dit park. Zij zijn niet naar het Zuiden getrokken. Wat mij betreft mogen ze gerust hier blijven hoor, het hele jaar door. Zolang ze maar niet op ons eigen dak landen. Want dat hoeft niet meer op onze leeftijd.

Over leeftijd en jonge scheuten gesproken, Vrouwtjelief is vandaag jarig ! 48 lentes ! Geen piepjonge scheut meer eigenlijk… tram 5 is voor haar niet zover meer af. Ja ja, ze wordt oud. En te bedenken dat haar man nog steeds lenig, fris en dartel is…
Maar Vrouwtjelief voelt zich beter dan ooit in haar vel en dat is wat telt !
Vandaag vieren we haar verjaardag niet, wegens geen tijd. Maar komend weekend bouwen we uiteraard een fijn feestje en zetten we haar in de bloemetjes. Want dat heeft ze, na een moeilijk jaar, dubbel en dik verdiend.

Prehistorisch.
Het bisnummer dat Koning Winter gisteren ten beste gaf, was er ééntje dat kon tellen. Toen ik ‘s ochtends in alle vroegte naar het werk vertrok had ik een hallucinant ritje voor de boeg. Aan nauwelijks twintig kilometer per uur schoof ik over de spekgladde wegen, terwijl de wind de vallende sneeuw aan een hoog tempo over mijn voorruit joeg waardoor de zichtbaarheid bijna nihil was. De strooidiensten waren waarschijnlijk langs geweest, maar daar viel intussen niets meer van te merken.
Helemaal van de pot gerukt werd het, toen ik in de Zwalmstreek kwam, waar de wind de sneeuw die op de heuvelflanken lag naar beneden blies om ze op de weg op te hopen tot een onoverkomelijk obstakel. Op een bepaalde plek, waar het steil naar omhoog ging, zag ik een auto van de weg afglijden en ernaast de gracht induiken. Een andere wagen had zich hopeloos vast gereden in de opgehoopte sneeuw. De bestuurster van de wagen trapte als een gek op haar gaspedaal. Maar hoe meer ze gas gaf, hoe meer ze zich vast reed. Nog een andere wagen was beginnen slippen en was met de neus in de verkeerde richting tot stilstand gekomen.
Er was geen doorkomen aan. Op een mum van tijd stond er een file van jewelste op deze, anders op dit vroege uur nog vrij rustige, provinciebaan. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een autobus aankomen. Die deed nog een poging om te helling op te geraken, maar gaf wijselijk die poging algauw op. Iedereen stond stil. En het bleef maar sneeuwen.
“Hier zitten we dan”, dacht ik bij mezelf. “We worden straks helemaal onder gesneeuwd. Niemand die ons nog ooit zal terug vinden. Pakweg over vijfduizend jaar misschien, zullen ze hier een historische ontdekking doen. Als een ingevroren prehistorische man zal ik dan waarschijnlijk de nieuwsberichten halen.”
Maar toen zag ik in de verte oranje flikkerlichten naderen. Er was hulp op komst. Een takelwagen en twee bulldozers kwamen ons redden. Maar het duurde nog ruim anderhalf uur om de opgehoopte sneeuw min of meer van de rijweg te halen en de gestrande auto’s uit hun netelige positie te bevrijden. Pas dan konden we schoorvoetend onze weg verder zetten. Voorwaar een avontuur, langs deze glooiende, kronkelende en vooral gladde baan. Ruim twee en een half uur te laat kwam ik aan op het werk. Maar daar heeft de baas niets van gemerkt, want hij verscheen pas nog een uur later bevend en bibberend op zijn kantoor.
“Het sneeuwt dat het buist”, zegt m’n moeder altijd wanneer er hevige sneeuwval is. Ik weet niet waar ze de uitdrukking vandaan heeft, maar gisteren was die in elk geval van toepassing.
Vandaag heb ik mijn vrije dag en hoef ik de winterse wegen niet te trotseren. Daar ben ik blij om. Maar waar is de lente van de vorige week nu naartoe ? In de bloempotten op het terras stonden de topjes van de narcissen vorige week reeds te pronken. En kijk nu…

Zou er een nieuwe ijstijd zijn aangebroken ? Hebben jullie al een mammoet gezien ?
Mijn stamboom.
We schrijven 1 september van het jaar 1975. In een dorp in hartje West-Vlaanderen begint de plaatselijke onderwijzer en bibliothecaris, die net met pensioen is gegaan, aan een titanenwerk. Hij verdiept zich in de genealogie of voorouderonderzoek van zijn familie. Hij start met het opmaken van zijn familiestamboom.
De man stopt daar enorm veel tijd en energie in en amper tien jaar later is hij ermee klaar. Of toch zo goed als, want met het opstellen van een familiestamboom ben je eigenlijk nooit helemaal klaar. De resultaten van zijn opzoekingen bundelt hij in een boek en laat die in een zeer beperkte oplage uitgeven. Om uit de kosten te komen verkoopt hij het boek voor een prijsje aan alle familieleden wiens voorgeslacht in het boek werd opgenomen. Ook mijn vader zaliger koopt zo’n boek, want hij is een verre achterneef van de gepensioneerde onderwijzer.
We schrijven 6 februari van het jaar 2013 (vorige week woensdag dus). Fluwijn is op bezoek bij z’n moeder in het rusthuis. Na een tijdje stokt het gesprek en moeder sluit de ogen. En terwijl ze in haar zetel stilletjes indommelt, loopt Fluwijn wat doelloos rond in de kamer, trekt een kastdeur open en snuistert wat in haar prulletjes. Oude fotoalbums, een blikken doos vol wenskaarten, allerhande snuisterijen en souvenirs uit moeder’s leven… Plots valt Fluwijn’s oog op een boek dat helemaal onderaan in de kast verstopt ligt onder een stapeltje kantkloswerkjes. Het is het boek dat mijn vader ooit kocht van zijn achterneef. Het boek van de onderwijzer, waarin onze familiestamboom in het lang en in het breed staat opgetekend. Terwijl moeder rustig verder slaapt verlaat Fluwijn, met het boek onder de arm, stilletjes de kamer en keert huiswaarts.
Het moet ruim 25 jaar geleden zijn dat ik het boek nog onder ogen kreeg. Ik was het bestaan ervan helemaal vergeten. Aangezien ik dezer dagen toch niet veel beters te doen had, nestelde ik mij met het boek in de zetel en ik liet ik me helemaal opgaan in mijn voorouderlijke geschiedenis.
De stamboom gaat terug tot het jaar 1565 alwaar we ene Michaël aantreffen. Hij stond aan het hoofd van een Calvinistisch gezin dat door de Spaanse legers noordwaarts was gedreven en was ondergedoken in de bosrijke streken van West-Vlaanderen. Deze Michaël had waarschijnlijk een kroostrijk gezin, maar slechts de naam van één van zijn zonen heeft de geboorteregisters gehaald. Die zoon heette Gilles en werd geboren in 1590. Deze Gilles is de stamvader van onze stamboom. Gilles was gehuwd met Joosine en had zo maar eventjes 13 kinderen : Michaël, Maaike, Jackmijne, Janneke, Egidius, Maria, Betke, Petrus, Clasine, Joannes, Cathelijne, Stefaan en Fransijne. Deze dertien kinderen zijn op hun beurt allemaal gehuwd. Eéntje, Egidius, is zelfs vijf keer gehuwd. Ze zijn alle vijf op jonge leeftijd gestorven. Bij deze dertien mensen begint de eerste vertakking van onze stamboom. En dat gaat zo veertien generaties door. Ikzelf behoor tot de dertiende generatie. Mijn kleinkinderen (als ik die ooit zal hebben) zullen dus tot de vijftiende generatie van onze familie behoren. Daar ik de enige ben in de familie die een zoon heeft (de anderen hebben allemaal dochters) zal onze stamboom na hem uitsterven, indien hij niet voor een nageslacht zou zorgen. Laten we dus hopen dat ik ooit eens opa wordt.
Volgende week grasduin ik graag nog wat verder in het boek over onze familiestamboom.

Godgeklaagd.
Het is Godgeklaagd. Nu mijn vrouw haar knie beter is en zij terug rond huppelt als een dartel veulen, ben ik weer in de lappenmand gesukkeld. Gisterenmorgen kon ik nauwelijks nog m’n bed uit. Een pijnlijke onderrug zorgde ervoor dat ik niet meer recht kon komen. Ik loop hier alweer voorover gebogen te sakkeren als een grumpy old man.
Deze morgen ben ik bij de dokter geweest. Een acute lumbago was het verdikt. Da’s al de tweede keer dat mij zoiets overkomt. Een versleten ruggenwervel ligt aan de oorzaak. Ik kreeg meteen een spuit in mijn edel achterdeel toegediend en mag de komende twee weken niet gaan werken. De baas op het werk vloekte toen ik hem daar telefonisch van op de hoogte bracht. Maar ik kan het ook niet helpen dat ik versleten ben. Mijn vrouw denkt eraan om mij op het containerpark achter te laten bij het klein en gevaarlijk afval. Daar komt een brave man, zoals ik, dan terecht na zesentwintig jaar huwelijk. Zoals ik al zei, het is Godgeklaagd.
Piepbriefje.
Vrouwtjelief haar knie is, vijf maanden na de operatie, helemaal genezen. Ze stapt en fietst terug dat het een lieve lust is. Sinds maandag is ze terug deeltijds aan het werk gegaan. Gelukkig kon ze zonder problemen haar job terug opnemen.
Vorige week, bij haar laatste medische controle voelde haar nieuwe knie nog wel wat warmer aan dan normaal. Dat komt omdat de prothese (die uit een legering van titanium en andere metalen bestaat) een vreemd voorwerp is in haar lichaam. Ze kan de knie ook slechts in een hoek van 90 graden plooien, terwijl dat eigenlijk 95 graden zou moeten zijn. Maar volgens de orthopedist komt dat allemaal vanzelf in orde, met een beetje geduld en wat oefening. Ze hoeft niet meer op controle te gaan en de dokter sprak zijn hoop uit dat het nog lang zou mogen duren vooraleer hij haar nog eens terug zou zien.
Tot slot heeft ze van de dokter ook nog een “piepbriefje” meegekregen.
Weten jullie wat een piepbriefje is ?
UPDATE : Jullie hadden het gisteren al wel geraden. Wanneer je ergens door een metaaldetector moet (bijvoorbeeld bij een luchthavencontrole) en dat ding begint plots vreselijk te piepen, dan kan je daarna, tijdens het kruisverhoor door de staatsveiligheid, met je piepbriefje bewijzen dat je er bij jou een prothese werd ingepland die metaal bevat en dat je dus geen terrorist bent die een pistool of bom op zak heeft. Zo hoef je alvast niet naar Guantanamo of naar de Abu Ghraib gevangenis te worden verkast.
Zo zie je maar, die dokters denken aan alles.
Rampenplan.
Na vorige week sneeuw en ijs te hebben getrotseerd, worden we deze week overspoeld met hemelwater, bij zover dat hier bij ons reeds het gemeentelijk rampenplan werd afgekondigd. Velden en straten staan blank. Heel wat wegen en belangrijke verkeersassen, zoals de N43 van Gent naar Kortrijk, werden afgesloten, wat voor heel wat verkeersellende zorgde.
Sneeuw en ijs horen bij de winter, maar regen, wind en temperaturen van meer dan tien graden verwacht je toch niet in januari ? Tja, we kunnen alleen maar pompen of verzuipen.
Naast het vele regenwater krijgt onze buurt ook nog eens te kampen met een golf van inbraken. Het is een ware plaag aan het worden. Naar verluid zijn het rondtrekkende kleine bendes die deze diefstallen plegen. Eén zo’n kleine bende hebben mijn collega en ik, vorig jaar in december, een keertje op heterdaad betrapt. Dat bracht ons toen eventjes in een netelige situatie (zie mijn postje van 12 december).
Een ander merkwaardig fenomeen zijn de bedelaars, die hier overal in de stad opduiken. Haast bij ieder warenhuis of openbaar gebouw tref je ze aan. Gehurkt naast de ingang zitten ze soms uren te wachten tot iemand wat geld in hun pet gooit. Deze mensen bedelen niet voor eigen rekening. Ze zijn zelf slachtoffer van georganiseerde bendes. Een vorm van criminaliteit waar de politie blijkbaar machteloos tegenover staat.
Heel wat zorgen dus voor ons stadsbestuur, momenteel. En dan was er nog de kwestie van de parkeerautomaat en de vuilnisbak. Onze schepen van properteit had namelijk aan de technische diensten van de stad opdracht gegeven om in het stadscentrum om de vijftig meter een vuilnisbak te plaatsen. Eén van die vuilnisbakken kwam daarbij echter pal voor een parkeerautomaat te staan. Dat vormde een probleem. De mensen die daar hun wagen parkeerden, konden niet meer tot bij de automaat. In de gemeenteraad werd over deze kwestie hevig gedebatteerd. De éne fractie vond dat men de parkeerautomaat een kwartdraai moest geven, de andere fractie vond het dan weer beter om de vuilnisbak een meter te verplaatsen. Men geraakte er niet uit en er werd een bijzondere commissie in het leven geroepen om deze heikele zaak verder te onderzoeken.
Ik had nochtans een perfect plan bedacht om tot de oplossing van dit probleem te komen. Men zou de parkeerautomaat tegen een hoge paal kunnen plaatsen, vervolgens de parkeerautomaat langs die paal omhoog hijsen en een laddertje tegen de paal zetten, zodat iedereen terug bij de parkeerautomaat kan. Ik vind persoonlijk mijn plan een uitstekende plan. Wat vinden jullie ?

foto het Nieuwsblad
x
Onbekend vaarwater.
Wij hebben de overgang van oud naar nieuw glansrijk doorstaan. Ik hoop van jullie hetzelfde. Intussen is het nieuwe jaar goed en wel begonnen. Een nieuw jaar waarvan we nog niet weten wat het ons zal brengen. We bevinden ons in onbekend vaarwater.
Bij het begin van zo’n nieuw jaar, wensen we iedereen een jaar vol voorspoed en geluk toe, maar vooral veel liefde en een goede gezondheid. Want dat zijn de enige dingen die er écht toe doen in het leven. Het is een huizenhoog cliché, maar ook een waarheid als een koe. Hoe ouder men wordt, hoe meer hij zich daarvan bewust is.
Hier, ten huize Fluwijn, maken wij ons enige zorgen over de gezondheid van onze moeders. Nadat ze begin vorig jaar volledig genezen was verklaard, moet mijn schoonmoeder momenteel opnieuw tegen kanker vechten. Mijn moeder, die intussen de 86 nadert, kan de dingen niet meer zo goed plaatsen. Het wordt een beetje leeg in haar hoofd en ze vergeet meer en meer dingen. Stappen kan ze al een hele tijd niet meer. Vanuit haar rolstoel bekijkt ze de wereld met verwarde ogen.
Gelukkig is er ook goed nieuws. Vrouwtjelief is aan de beterhand. Van de longonsteking die ze had opgelopen is ze hersteld en ook haar nieuwe knie doet het goed. Ze wandelt en fietst opnieuw, zij het langzaam aan. Als alles meezit kan ze over een maand terug aan het werk.
Laten we hopen dat er ons een fijn jaar te wachten staat. Iedereen moet roeien met de riemen die hij heeft, maar mag vooral niet vergeten om te genieten van alle mooie dingen (hoe klein die ook zijn) die hij op z’n vaarroute tegenkomt. Want, naar verluidt, ligt daarin de sleutel van het geluk.

Zorgen om moeder.
Terwijl vrouwtjelief langzaam maar zeker hersteld van een longontsteking ligt ook mijn moeder sinds vorige week vrijdag in het ziekenhuis. Het was op de vrijdag daarvoor bij haar begonnen met een beetje misselijkheid en diarree. De verpleegkundigen van het rusthuis waar ze verblijft stelden ons gerust. Ze moest vooral veel drinken en het zou wel vanzelf weer in orde komen. Maar toen ik haar de maandag erna nog eens gingen bezoeken, was ze nog steeds niet beter. Ze moest nog steeds om de haverklap naar het toilet en voelde zich helemaal slap en misselijk. We informeerden of er al een dokter was gebeld. Dat was nog niet gebeurd. Men vond het nog niet nodig. Wij vertrouwden op de goede zorgen die ze in het rusthuis wel zou krijgen.
Doordat vrouwtjelief op dat moment in het ziekenhuis lag, was ik druk in de weer en ook mijn broer en zus hadden het druk met hun werk en hun gezin. Zo kwam het dat niemand van ons gedurende enkele dagen bij moeder langs ging. Op woensdag was de toestand van mijn moeder erger geworden. In het rusthuis vonden ze het overbodig om ons daarvan op de hoogte te brengen. En moeder was er zelf niet toe gekomen om ons te bellen. Uiteindelijk werd in het rusthuis op donderdagmorgen beslist om toch maar een dokter te verwittigen. Het heeft dan nog tot in de vooravond geduurd voor de dokter bij haar kwam. Maar ook die dokter vond het niet nodig om onmiddellijk in te grijpen. Hij schreef haar andere pilletjes voor en beloofde om de volgende dag terug te komen. Op vrijdag was mijn moeder echter zo ziek dat de verpleegkundigen van het rusthuis zich genoodzaakt zagen om haar in allerijl naar het ziekenhuis te brengen. En dat was niet meer voor tijd. Ze was helemaal uitgedroogd en verzwakt. Hadden ze nog één dag langer gewacht, dan waren er ernstige gevolgen geweest.
Mijn broer, zus en ik zijn er niet over te spreken. Wij hebben de hoofdverpleegster van het rusthuis reeds een fikse uitbrander bezorgd. En ook met die dokter hebben we nog een eitje te pellen. We hebben ons in elk geval voorgenomen om, van nu af aan, de gang van zaken in het rusthuis nauwlettender in het oog te houden. Moeder is ondertussen gelukkig weer aan de beterhand.
Ook onze poes Lucie (die wij ook wel eens “mama” noemen, omdat ze de moeder is van onze andere poes) ligt momenteel in de lappenmand. Ik moest haar gisteren bij de dierenarts voeren. Ze kon niet meer eten en de kwijl droop onder haar kin. Er was duidelijk iets aan de hand met haar tanden. Ze is een nachtje bij de dierenarts gebleven en er zijn intussen bij haar drie tanden getrokken. Volgens de dierenarts zal ze daar verder geen hinder meer van ondervinden. Straks mag ik haar gaan afhalen.
Alles komt voorwaar weer goed. En het jaar is nog niet eens om.
Terug thuis.
Vrouwtjelief is terug thuis, na ruim vier dagen in het ziekenhuis te hebben gelegen met een longontsteking. Ze is weliswaar nog niet helemaal genezen. Ze heeft nog steeds een beetje last van kortademigheid en ze staat nog een beetje slapjes op haar benen. Ze moet het dus nog heel rustig aan doen, ook al zou ze eigenlijk moeten verder trainen om haar geopereerde knie in beweging te houden.
Haar armen staan vol blauwe plekken. Door haar dunne adertjes is het niet eenvoudig om een infuusnaald bij haar in te brengen. Sommige dokters of verpleegkundigen hebben daar weinig moeite mee, maar anderen klungelen erop los. Vrouwtjelief heeft al heel was inspuitingen gehad, dit jaar en is intussen al vol gaatjes geprikt.
Het ergste is achter de rug en als alles goed gaat zijn, over een week of zo, allebei haar longen opnieuw in topform. Dat heeft ze dan ook weer gehad. Dit jaar was haar jaartje niet. De ellende begon kort na Kerstmis van vorig jaar, toen haar knie haar in de steek liet. Sindsdien is het ziekenhuis bijna haar tweede verblijfplaats geworden. Wat haar betreft, mag daar nu wel stilaan een eind aan komen.











