Tussen eeuwenoude muren. (3)

We hadden die zondagnamiddag jammer genoeg niet genoeg tijd voor een rondleiding met een gids doorheen de Sint-Baafsabdij. Wel konden we vrij bezoek brengen aan de refter van de abdij. Een indrukwekkende zaal met een prachtig plafond. Tegen de zijmuren staan ornamenten en grafstenen uit de abdij opgesteld. De vloer is afgedekt met een houten platform, waarschijnlijk om de broze tegels te beschermen.

Vreemd was dat er aan het plafond een lang touw hing met een flosh eraan. Dat leek op een touw om de klokken mee te luiden. Maar bij mijn weten waren hierboven geen klokken aanwezig. Maar dat touw schijnt blijkbaar te kaderen in de tentoonstelling die hier momenteel loopt, onder de titel Histories of thought, waarin een twintigtal moderne kunstenaars tijd en vergangkelijkheid proberen te overstijgen.

Er stonden hier trouwens nog meer kunstwerken opgesteld, zoals bijvoorbeeld deze handen. Geen échte handen, maar handen gemaakt uit was of één of andere kunststof. We zagen ook nog afgehakte knielende benen op een stoel, waarvan mijn foto helaas niet gelukt is.
Het was dus kunst en bijgevolg helemaal niet zo gruwelijk als het op het eerste zicht leek.

Terug buiten wandelden we verder tussen de eeuwenoude muren, waar her en der nog meer kunstwerken te zien waren. De meeste ervan vond ik persoonlijk nogal vloeken met omgeving en ik heb er dan ook geen foto’s van.
Maar naast dit unieke gebouwenpatrimonium schijnt deze site ook bijzonder interessant te zijn op ecologisch vlak. De laatste 20 jaar werden hier zo maar eventjes 150 verschillende plantensoorten geïnventariseerd. Een dergelijke spontane vegetatie in een stedelijke omgeving is heel bijzonder.

Reeds enkele jaren na de stichting van de abdij, nam een edelman zijn intrek in dit klooster. Hij nam de naam Bavo aan. Twee eeuwen later werd de abdij naar hem genoemd en werd vanaf dan als heilige vereerd. Tussen de 11de en de 13de eeuw was deze abdij zeer welvarend. Het was ook in die tijd dat de meeste gebouwen werden opgericht waarvan de ruïnes nu nog steeds overeind staan.

Opmerkelijk is deze mooie waterput met sierdakje. De put van Sint-Macharius. Macharius was een pelgrim die omstreeks de elfde eeuw zijn intrek nam in de abdij. Hij was echter een pechvogel en één van de eerste slachtoffers van de pest. Later ontstond er een verering rond zijn persoon en ook hij werd heilig verklaard. Hij gaf z’n naam aan de parochie en de wijk rondom Portus Ganda.
Deze waterput herinnerd aan z’n verblijf in de abdij en werd vroeger door goedgelovige mensen beschouwd als een wonderdoende put tegen pest en koorts.

Tot aan de 16de eeuw was de abdij één der machtigste van Europa. Maar toen kwam Keizer Karel en was het uit met de pret. Toen waren de middeleeuwen al lang niet meer zo vrolijk.
Over de Sint-Baafsabdij valt natuurlijk veel meer te vertellen dan ik hier kan doen.. Als jullie meer over de abdij willen weten dan kan ik deze mooie website aanbevelen : buren van de abdij.
De abdij zou vanaf nu tot in september bijna iedere zondag te bezoeken zijn. Maar vooraf nog even informeren lijkt me toch wel raadzaam.

Tussen eeuwenoude muren. (2)

We bevonden ons tussen de eeuwenoude muren van de Sint-Baafsabdij, de bakermat van Gent. Hoewel er nogal wat bezoekers aanwezig waren, was het er vredig en stil. Niemand die het waagde om de rust op dit magische plekje te verstoren. Wij kuierden door de gaanderij rondom het binnenplein van waaruit we schitterende doorkijkjes hadden.

In de gaanderij staan, net zoals overal in deze site, diverse archeologisch vondsten, ornamenten en voorwerpen uit een ver verleden opgesteld. Ik vermoed dat de studenten van Gentse universiteit een vette kluif hebben aan deze Sint-Baafsabdij.

In de tweede helft van de negende eeuw sloegen de Vikingen hier hun kamp op en joegen de kanunniken, die hier toen woonden, op de vlucht. Tja, die Noormannen waren een echte plaag in die tijd. Toen de kanunniken vijftig jaar later terug kwamen waren de gebouwen van de abdij helemaal vervallen en in slechte staat. De graaf van Vlaanderen had intussen het hele domein in beslag genomen.

Maar niet getreurd, toen de Vikingen goed en wel verdwenen waren werd de abdij terug opgekalefaterd. Meer zelfs dan dat. In die tijd had je het Heilige Roomse rijk dat voortdurend overhoop lag met het West-Frankische rijk. De Schelde vormde toen de grens tussen deze twee rijken. De Roomse keizer Otto II maakte van de abdij een strategisch verdedingspunt in de strijd tegen koning Lodewijk de Doeniet. Hadden jullie al gehoord van Lodewijk de Doeniet ? Ik ook niet. Ik heb de man eventjes gegoogeld. Het blijkt te gaan over Lodewijk V, de laatste Karolingische koning die slechts één jaar regeerde en in die tijd niets betekenisvol heeft kunnen verwezelijken. Tja, als je niets kan verwezelijken, dan wordt je de doeniet genoemd. Dat lijkt mij volkomen logisch.

Tijdens onze wandeling tussen de ruïnes merkte ik een man op die mijn aandacht trok. Ik weet niet wie de man was, maar ik vond dat hij goed in dit kader paste. Morgen volgt het derde en helaas reeds laatste deel van dit verslagje over onze wandeling tussen de eeuwenoude muren van de Sint-Baafsabdij.

Tussen eeuwenoude muren.

Vorige week waren we in Gent, meer bepaald in de site van Portus Ganda, de plaats waar de stad Gent is ontstaan. Daar waren we ergens begin april ook al geweest om er te genieten van een prille lentewandeling langsheen het haventje. Nu waren we hier dus terug.

Daar waar het begin april nog behoorlijk frisjes was in Gent, konden de mensen er nu al volop genieten van de lentezon.

Genieten van het zonnetje was echter niet de enige reden waarom we deze keer naar Portus Ganda waren gekomen. Wij wilden de Sint-Baafsabdij bezoeken (niet te verwarren met de St. Baafskathedraal). Zoiets kan men niet iedere dag doen. Zelfs niet iedere week. De Sint-Baafsabdij (of wat er nog van over blijft) wordt heel erg beschermd. Slechts sporadisch wordt de site open gesteld voor het publiek. Vorige zondag was zo’n dag waarop de abdij ruïnes toegankelijk waren.

Vooreerst kwamen we bij de abdijkerk. Hier werden we lichtjes in de war gebracht. De abdijkerk die staat er namelijk niet meer. Die liet Keizer Karel in 1540 afbreken. Dat had alles te maken met de straf die Keizer Karel de Gentenaars had opgelegd omwille van hun opstand tegen zijn Keizerlijk gezag en waarover ik op deze blog al eens eerder berichtte. Waar de kerk stond liet Keizer Karel het beruchte Spanjaardenkasteel bouwen, om zo de opstandige Gentenaars snel en efficiënt op hun donder te kunnen geven, indien dat nodig zou blijken. Dat kasteel zou later ook met de grond worden gelijk gemaakt.
De vroegere abdijkerk bestaat dus niet meer, maar is sinds kort verrezen in de vorm van vijf meter haagbeukzuilen, die de verdwenen kerk moeten evoceren.
De kerktoren die we op de achtergrond zagen bleek de Sint-Machariuskerk te zijn, die pas in 1880 werd gebouwd en eigenlijk niets met de abdij te maken heeft.

Want de Sint-Baafsabdij is véél ouder dan dat. De abdij werd reeds in de zevende eeuw gesticht door een zekere Amandus in een poging om de mensen die rondom de haven van Portus Ganda woonden te bekeren. Dat laatste verliep echter niet van een leien dakje. De Gentenaars moesten van geen bekering weten en gooiden Amandus herhaalde keren in het water. Ik zei toch al dat het er vrolijk aan toe ging in de vroege middeleeuwen ?
Het hing Amandus echter z’n voeten uit om telkens met een nat pak thuis te komen. Hij besloot om grotere middelen in te schakelen en stichtte een abdij.
De overblijfselen van die abdij, dat was waar wij nu voor stonden. Wij stapten door een laag poortje de vroege middeleeuwen binnen.

We kwamen op een soort van binnenplein terecht. We bevonden ons op zowat het alleroudste plekje in Gent. Er hing hier een sfeer van zalige rust.

Net zoals in de vroege middeleeuwen ging het er hier, tussen deze eeuwenoude muren, héél relaxed aan toe. Dit was zowaar een idyllisch plekje, waar de bijtjes zoemden en meisjes lagen te zonnen in het gras. Ik was helemaal in m’n nopjes.

Morgen ga ik volkomen relaxed verder met het vervolg van dit verslagje.

Van monniken en plastieken konijnen.

Onlangs waren we in Koksijde aan zee. We gingen er een kijkje nemen in het Abdijmuseum Ten Duinen. Ooit stond op deze plaats een Cisterciënzerabdij, gesticht in 1138. De abdij kende haar hoogtepunt in de 13de en 14de eeuw, toen zowat 120 monniken en 248 lekenbroeders en zusters hier verbleven. Later viel de abdij ten prooi aan oorlogen, beeldenstormen en revoluties. De abdij ging ten onder en de monniken sloegen op de vlucht. Ze zochten hun heil in veiliger oorden.
Nu is deze plaats een archeologische site en staat er ook een museum.

Aan de ingang van het museum werden we verwelkomd door een reusachtige rode monnik. Geen echte weliswaar.

Er is wel nog één echte monnik aanwezig in het museum. Hij ligt daar al enkele eeuwen en in al die tijd is hij fel vermagerd.

De monniken op de volgende foto zijn dan weer niet echt. Het zijn wassen beelden die her en der in het museum zijn opgesteld om het dagelijks leven van een middeleeuwse monnik uit te beelden.

Verder in het museum staan de archeologische vondsten die men heeft gedaan, in en rondom de ruïnes van de abdij, netjes uitgestald en voorzien van deskundige uitleg.

Ook het katholieke zilverwerk dat men heeft opgegraven is in dit museum te bewonderen.

En dan was het tijd om buiten, achter het museum de ruïnes zelf te gaan bekijken. Maar wat we zagen toen we de site betraden was dit vreemde schouwspel.

Een plastieken rode monnik is aan het prediken voor enkele plastieken zeehonden en tientallen plastieken reuze konijnen. Ik weet niet of dit als kunst bedoeld is, maar ik vond het toch wel vloeken met de rest van deze historische omgeving.
Uiteindelijk kwamen we bij de ruïnes zelf. De abdij was een voorbeeld van de allervroegste baksteen-architectuur.

Tussen de ruïnes ontdekten we ook nog iet meer passende kunst : een sculptuur van de Spaanse beeldhouwer Jaume Plensa, hier geplaatst in het kader van Beaufort 04.

Na ons bezoek aan de ruïnes was het tijd voor koffie. Die werd ons aangeboden in de “Gasterij”, een taverne die is ondergebracht in een oud vissershuisje uit de 19de eeuw dat zich op het domein Ten duinen bevindt. Tijdens onze wandeling door dit domein hadden meerdere reuze konijnen in allerlei plastic-kleuren ons pad gekruist en ook hier, bij het cafeetje, doken ze op . Gelukkig zag mijn echtgenote ze ook. Indien ik de enige was geweest die overal fel gekleurde reuze konijnen zag opduiken, dan was ik sterk aan mezelf beginnen twijfelen.

Dreigende wolken.

In de plensende regen reden we vorige zondag naar de Westhoek. De weerman had opklaringen vanuit het westen beloofd. Toen we in Ieper aankwamen was het weliswaar opgehouden met regenen,  maar dreigende wolken hingen boven de stad. Het silhouet van de Sint-Jacobskerk stak mooi af tegen de dramatische lucht.

In en rond de abdij. (2)

We gingen een kijkje nemen achter de Sint-Pietersabdij van gent, in de prachtige zuiderse abdijtuin.

Wandelend langs het tuinterras merkten we achteraan in de tuin iets eigenaardig op. Het leek wel alsof daar enkele rijen boekenkasten stonden opgesteld.

Het wàren ook rijen boekenkasten. Meer zelfs, het was een openluchtbibliotheek.

Dit is een idee van de italiaanse kunstenaar Massimo Bartolini in het kader van TRACK, een initiatief waarbij kunstenaars hun werk in openbare ruimtes van de stad tentoon stellen.

Iedereen die dat wil kan hier boeken kopen of huren en het geld daarvoor in een bus deponeren.

De bibliotheek sluit aan bij de wijngaard van de abdij. Volgens Massimo Bartolini kunnen boeken, net zoals goede wijn, geestesverruimend werken.

In en rond de abdij. (1)

Het  geduld van de wachtenden werd beloond en algauw ging de deur van de kerk van de Gentse Sint-Pietersabdij open.

Maar wij waren daar niet om de kerk te bezoeken, maar wel de tentoonstellingsruimtes ernaast. Daar worden momenteel foto’s tentoon gesteld van Bieke Depoorter.

Bieke Depoorter is een jonge Gentse fotografe die in 2009 afstudeerde aan het KASK en meteen de Magnum Expression Award won. Depoorter trok de voorbije jaren met onbevangen blik door Rusland en Amerika. Toevallige ontmoetingen bepalen haar slaapplaatsen. De openheid waarmee ze wordt ontvangen en de intimiteit die met haar wordt gedeeld, leveren intrigerende beelden op.
Lees meer op : www.sintpietersabdijgent.be 

Een boeiende tentoonstelling van deze getalenteerde Gentse fotografe. Nadat we haar foto’s hadden bewonderd wandelden we nog wat door de gangen van de benedenverdieping van de abdij. We moesten heel erg stil zijn, want in verscheidene lokalen waren studenten aan het studeren. Tijdens de examenperiode vinden studenten hier een stil plekje om zich aan hun studies te wijden.

We wilden wel graag de hele abdij bezoeken, maar dat bleek een rondgang van twee uren te zijn waarbij men bijna 400 trappen moest bestijgen. Dat was voor de kaduuke knie van mijn metgezel niet haalbaar. Dus besloten we maar om de binnenkant van de abdij te laten voor wat het was en nog eens een kijkje te gaan nemen in de prachtige tuin die bij deze abdij hoort.
Maar dat is stof voor het postje van morgen.

Mestreech. (3)

Na een zalig uurtje op het terras op het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht, wandelden we verder in de richting van de zogeheten Helpoort.

In Maastricht hebben ze niet alleen de oudste brug van Nederland, maar ook de oudste stadspoort van Nederland. De Helpoort werd reeds gebouwd in 1229.

De Helpoort maakt deel uit van de middeleeuwse stadsomwallingen van Maastricht.

Maastricht was in de middeleeuwen een strategische plaats. Beneden aan de vestigingsmuur staan de kanonnen nog steeds opgesteld, ter verdediging van de stad.

Van hieruit wandelden we verder langs de Jeker, een zijriviertje van de Maas en zagen ondermeer dit huis dat bijna bovenop de Jeker is gebouwd.

In de Begijnenestraat ligt het klooster van de faliezusters tussen het loof verscholen. Sinds de 14de eeuw woonden hier de begijntjes van Maastricht.

We waren nog lang niet aan het einde van de wandelroute die we hadden uitgestippeld. Maar de gehavende knie, waarmee mijn echtgenote al een hele tijd zit opgescheept, begon op dit punt hevig te protesteren. Noodgedwongen keerden we terug naar het stadscentrum. Aan het Vrijthof brachten we nog een bezoek aan de Sint-Servaesbasiliek. Van de buitenkant van deze prachtige kerk heb ik geen foto’s. De kermisattracties op het plein stonden danig in de weg. Om toch een idee te geven hoe de kerk eruit ziet plaats ik hier dan maar een oude prentkaart die ik van het internet heb geplukt.

Met zandsteen en mergel uit de nabij gelegen mergelgrotten werd reeds in de 6de eeuw aan de bouw van de Sint-Servaesbasiliek begonnen. De Sint-Servaesbasiliek staat op de unesco-lijst van werelderfgoed en is één van de topmonumenten in Nederland.
Het waren vooral de prachtige middeleeuwse sculpuren in het portaal aan de westkant van de kerk die onze aandacht trokken.

Na ons bezoek aan de kerk was het tijd geworden om een hapje te eten. We zochten daarvoor een zonnig terrasje op. Hier eindigde meteen ook onze tocht door Maastricht. Mijn vrouw haar knietje had dringend rust nodig.

We beseften dat ons blitsbezoek aan Maastricht lang niet volstond om de vele bezienswaardigheden in en rondom deze bruisende stad in ogenschouw te nemen.
De omstandigheden zaten die dag niet helemaal mee. Maar we hebben ons voorgenomen om dit bezoek nog eens over te doen en daarvoor dan ook meer tijd uit te trekken. Want Mestreech is een stad die méér verdient dan een vluchtige blik.

Damiaan.

Mijn schoonmoeder heeft de voorbije twee jaren kanker overwonnen en aangezien ze een gelovig mens is wijdt ze haar genezing voor een deel aan de hulp die ze kreeg van pater Damiaan. Ze wou dan ook graag eens de pater hiervoor persoonlijk bedanken. Daarom hadden wij haar beloofd om haar op paaszondag mee te nemen naar Leuven, waar pater Damiaan begraven ligt.
Belofte maakt schuld, dus op Pasen trokken wij richting Leuven. Het was somber en koud in Leuven en er viel zo nu en dan een spatje regen.

We hadden het St.Antoniuskerkje waar pater Damiaan ligt begraven, gauw gevonden.

We daalden vooreerst de trappen naar de crypte af, waar zich de graftombe zelf bevindt. Mijn vrouw en schoonmoeder zochten in stilte een plaatsje op de banken.
Zelf ben ik niet zo gelovig. Ik hield me dan maar bezig met het opstellen van mijn statiefje en probeerde een deftig fotootje te maken van de graftombe. Wat niet evident was, want er was maar weinig licht in deze crypte.

Na de crypte bezochten we ook nog het kerkje die uiteraard helemaal in het teken van pater Damiaan staat. Zelfs in de glasramen vertellen het helfdhaftig levensverhaal van de pater uit Tremelo.

Mijn schoonmoeder glunderde toen we het kerkje verlieten. Ze had voor de pater nog een mooie kaars aangestoken. Ze was ervan overtuigd dat hij in de toekomst een oogje in het zeil zou blijven houden, zodat de kanker niet opnieuw de kop zou opsteken.
We hadden alvast op deze paasdag onze goede daad gesteld. We gingen nog een lekker hapje eten in Leuven en keerden daarna tevreden huiswaarts.